A3 ApothekeHuidaandoeningen - A3 Apotheke

Ihr WarenkorbIhr Warenkorb

Ihr Warenkorb enthält derzeit keine Produkte.

Suche (mit/ohne Rezept)Suche (mit/ohne Rezept)

Produktname oder PZN eingeben

Erweiterte Suche

Produkte ohne Rezept

    Zuverlässig

    Link zum Versandapothekenregistermedizinfuchs.de Partner-Apotheke87% positive Bewertungen in den letzten 6 Monaten (1211)

    Deutsche Post DHL

    Huidaandoeningen

    Huidaandoeningen

    Struktuur en functie van de huid

    De huid is het grootste orgaan van het menselijk lichaam. Bij een volwassen persoon is het huidoppervlak 1,5-2 m2 en het gewicht van de huid, inclusief het onderhuids vetweefsel 15-20 kg.

    De belangrijkste functies van de huid zijn:

    • de vorming van een barrière tegen de buitenwereld, waardoor uitdroging van het lichaam wordt voorkomen en het binnendringen van microörganismen en schadelijke zonnestraling wordt tegengegaan;
    • het instandhouden van de vochtbalans van het lichaam en de lichaamstemperatuur door actieve vochtuitscheiding (zweetsecretie);
    • het waarnemen van de omgeving door de aanwezigheid van tast-, pijn- en warmtezintuigen.

    Daarnaast wordt in de huid onder invloed van zonlicht vitamine D3 gesynthetiseerd, wat essentiëel is voor de calciumstofwisseling (o.a. botopbouw), zorgen klieren in de huid voor de kenmerkende lichaamsgeur en vervult de huid een belangrijke signaalfunctie bij de communicatie (blozen), interne ziekteprocessen en bijwerkingen van geneesmiddelen.

    De huid bestaat uit twee verschillende lagen, elk met hun eigen specifieke functies, te weten de opperhuid (epidermis) en de lederhuid (dermis). Daaronder ligt het onderhuidse vetweefsel (de subcutis), dat de verbinding vormt tussen de huid en de dieper gelegen weefsels.

    De opperhuid (epidermis)

    De opperhuid (epidermis) is een huidlaag die afhankelijk van de plaats in dikte variëert van 0,05 mm (oogleden) tot 1,5 mm (handpalmen, voetzolen). Deze buitenste laag van de huid bevat geen bloedvaten en bestaat voor het grootste deel uit één type cel: de keratinocyt.

    Keratinocyten worden in de onderste laag (de basale laag) gevormd en reizen in ongeveer 3 weken tijd naar het huidoppervlak. Onderweg ondergaan zij een rijpingsproces, waardoor verschillende  cellagen in de epidermis zijn te onderscheiden. Naarmate de keratinocyten dichter bij het huidoppervlak komen krijgen zij steeds minder voedingsstoffen en sterven af, waardoor de hoornlaag (het stratum corneum) wordt gevormd. Deze hoornlaag bestaat uit een laag van 10-15 dode, verhoornde, platte celresten van keratinocyten, ook wel corneocyten genoemd, die volledig ingebed liggen in een lipidenlaag. Hierdoor ontstaat het beeld van een bakstenen muur met de corneocyten als stenen en de lipidenlaag als cement. De dikte van deze ‘muur’ is ca. 0,01 mm.

    Intermezzo

    De huidbarrière

    De lipidenlaag tussen de corneocyten vormt de eigenlijke barrière van de hoornlaag tegen schadelijke indringers en wordt gevormd door de keratinocyten. Onder normale omstandigheden bevat de hoornlaag 10-20% water. Vermindert het watergehalte van de hoornlaag, bijvoorbeeld door een lage vochtigheidsgraad van de omgeving (b.v. koude droge lucht in de wintermaanden) dan verliest de hoornlaag zijn barrièrefunctie en weerstand tegen trekkrachten. Het water in de hoornlaag vervult dus een belangrijke functie: het soepel houden van de hoornlaag (vgl. weekmakers in kunststoffen).

    Omdat een goed gehydrateerde hoornlaag samengaat met een goed uiterlijk ervan, richten cosmeticafabrikanten zich hierop door  bevochtigers en liposomen in hun produkten te verwerken. Ook de toevoegingen in cosmetica van ceramides, de belangrijkste component van de lipidenlaag naast cholesterol, vrije vetzuren en kleine hoeveelheden andere lipiden beogen de huid te beschermen en het herstel van de huidbarrière te bevorderen. Verhoging van het vochtgehalte van de huid heeft echter ook een keerzijde. De doorlaatbaarheid van de huid voor hydrofiele (wateroplosbare) stoffen neemt toe en Langerhanscellen (zie het vervolg) worden erdoor geactiveerd.

    De huidbarrière kan verstoord worden door bijvoorbeeld vaak de handen te wassen of door lokaal contact met ontvettende stoffen (schoonmaakmiddelen, aceton). De zogenaamde ‘huisvrouwenhanden’ zijn het gevolg met als kenmerkende verschijnselen: roodheid, schilfering, een droog trekkend gevoel, jeuk of branderigheid. Ook penetratiebevorderende stoffen in huidpreparaten (b.v. alcohol, propyleenglycol, ureum, salicylzuur, water) verstoren de lipidenlaag.

    Bij personen met een droge huid is de huidbarrière verlaagd, waardoor zij sterker reageren op irriterende stoffen dan personen met een normale huid.  Mensen met eczeem zijn onvoldoende in staat om water in hun hoornlaag vast te houden door een afwijkende samenstelling van de lipidenlaag, waardoor hun huid extra vatbaar is voor invloeden van buitenaf.

    Na ongeveer 14 dagen laten de buitenste corneocyten los en schilferen ze voor ons normaliter ongemerkt af, waardoor de dikte van de epidermis constant blijft. Doordat de cellen in de basale laag van de opperhuid zich voortdurend delen en de hoornlaag afschilfert, vernieuwt de opperhuid zich ongeveer één keer per maand. Het vermogen tot aanmaak van nieuwe cellen in de basale laag maakt, dat de huid bij een verwonding vrij snel dichtgroeit. De delingsactiviteit van de basale laag wordt door verschillende factoren bepaald. Bij jonge mensen verloopt de celdeling sneller dan bij ouderen.

    Tussen de keratinocyten bevinden zich ook nog andere cellen in de opperhuid:

    • pigmentvormende cellen (melanocyten);
    • Merkelcellen;
    • Langerhanscellen.

    Melanocyten (pigmentcellen) bevinden zich in de basale cellaag en zijn verantwoordelijk voor de bruinkleuring van de huid onder invloed van zonlicht. In de melanocyt wordt de pigmentkleurstof (het melanine) verpakt in kleine bolletjes, de melanosomen (pigmentkorrels), en zo afgegeven aan de hoorncellen (keratinocyten). Pas wanneer het pigment zich in de keratinocyten bevindt, is een huid zichtbaar gepigmenteerd. Ieder mens heeft ongeveer evenveel melanocyten. De activiteit van deze pigmentvormende cellen en de hoeveelheid en rijpheid van de melanosomen bepalen iemands huidkleur. Bij donkere rassen bevatten de melanocyten veel meer en rijpere melanosomen en zijn ook de keratinocyten veel voller beladen met pigmentkorrels dan bij het blanke ras. Pigment heeft een filterende werking, waardoor het de huid beschermt tegen de schadelijke invloed van ultraviolette straling in zonlicht. Melanocyten staan onder invloed van geslachtshormonen. Dit blijkt uit de onregelmatige pigmentatie in het gezicht (melasma) van vrouwen, die zwanger zijn of de pil gebruiken.

    Merkelcellen bevinden zich net als de keratinocyten en melanocyten in de basale cellaag van de opperhuid. Zij vervullen een belangrijke functie bij de tastzin. Vooral op plaatsen waar de huid extra gevoelig is, zoals op de vingertoppen en rond de mond, worden veel merkelcellen aangetroffen.

    Langerhanscellen bevinden zich boven de basale cellaag en zijn oorspronkelijk afkomstig uit het beenmerg. Zij zijn onderdeel van het immuunsysteem van de huid. Langerhanscellen kunnen zich verplaatsen door de epidermis naar de dermis en hebben als functie het presenteren van lichaamsvreemde, allergene stoffen die in de epidermis zijn doorgedrongen aan de immuuncellen van het lymfesysteem. Via de lymfebanen in de dermis bereiken zij de regionale lymfeklieren, waar de presentatie van de allergene stof leidt tot activering van T-lymfocyten (T-cellen). Wat er dan gebeurt, hangt af van eventuele eerdere contacten tussen de allergene stof en de T-cellen. Zijn de T-cellen al eerder door het allergeen gesensibiliseerd (overgevoelig geworden), dan wordt de stof snel herkend en volgt binnen 1-2 dagen een eczeemreactie op de contactplaats van de huid met die stof. In geval van een eerste kennismaking met de allergene stof gebeurt er meestal niets. Pas bij een volgend contact zal de huid reageren met een contactallergische reactie, gekenmerkt door jeukende roodheid van de huid met pukkeltjes en schilfering.

    De epidermis is aan de dermis verankerd door middel van de basaalmembraan, een vezelachtig, elastisch netwerk van bindweefselmolekulen.

    De lederhuid (dermis)

    De lederhuid (dermis) is een 1-3 mm dikke bindweefsellaag. Deze bestaat voornamelijk uit verspreid in de dermis voorkomende bindweefselcellen (fibroblasten), bindweefselvezels (m.n. collageen) en een gel-achtige grondsubstantie. De bindweefselcellen maken de grondsubstantie en bindweefsel­vezels, die voor de stevigheid en elasticiteit van de huid zorgen. Bij verwonding van de dermis komen de fibroblasten in actie, waarbij zij zich gaan delen. Een verminderde stimuleerbaarheid aan het eind van hun levensduur uit zich bij de ouder wordende mens in een vertraagde wondgenezing.

    De grens tussen opperhuid en lederhuid verloopt niet vlak, maar vertoont een sterk golvend patroon met in- en uitstulpingen, waardoor beide lagen in elkaar grijpen. De uitstulpingen van de lederhuid in de opperhuid (de papillen) zitten vol met kleine bloedvaatjes (capillairen) en lymfevaatjes, van waaruit de bovenliggende opperhuid wordt gevoed en afvalstoffen worden afgevoerd. De bloedvaten dienen echter niet alleen hiervoor, maar transporteren ook cellen van het immuunsysteem naar de huid. In de gezonde huid zijn rond de bloedvaatjes altijd afweercellen (m.n. macrofagen, T-lymfocyten) aanwezig. Hun aantal neemt aanzienlijk toe bij de meeste ziekteprocessen.

    De bloedvaatjes spelen ook een belangrijke rol bij de temperatuursregulatie. Bij fysieke inspanning wordt de huid rood, doordat meer bloed door de oppervlakkige huidvaatjes geleid wordt. Hierdoor kan afkoeling plaatsvinden. Ook de in de dermis gelegen (eccriene) zweetklieren, vooral die op de romp, zijn van belang voor de warmteregulatie van het lichaam. In rust bedraagt de zweetproductie ongeveer 0,5 liter per dag, bij zware arbeid kan deze toenemen tot 10 liter per dag. De zweetklieren in het gelaat en op de handpalmen reageren daarentegen voornamelijk op emotionele prikkels.

    In de lederhuid bevinden zich haarzakjes (haarfollikels), waarin haren groeien. In de afvoergang van de haarfollikels monden talgklieren uit. Talg bestaat uit een mengsel van vettige stoffen en vormt samen met zweet en afval van cellen een dun zuur laagje op het huidoppervlak,  dat een (geringe) rol speelt bij het instandhouden van de huidbarrière. Gemiddeld zijn er zo’n kleine honderd talgklieren op iedere vierkante centimeter. Op het midden van de borst en de rug, in het gezicht en op de behaarde hoofdhuid loopt dit aantal op tot bijna duizend. Mensen met een hoge talgproductie hebben dan ook vaak last van vet haar.

    Naast de zweetklieren komen in de dermis zogenaamde apocriene klieren voor, die veel op zweetklieren lijken, maar in de haarzakjes uitmonden in plaats van op het huidoppervlak. Deze apocriene klieren komen, in tegenstelling tot de (eccriene) zweetklieren,  niet over het hele lichaam voor. In het dierenrijk spelen zij een belangrijke rol bij de herkenning van de soort en de afbakening van hun leefgebied. Bij de mens zorgen zij in de oksels en rond de geslachtsorganen voor de specifieke lichaamsgeur.

    De dermis bevat verder nog verschillende soorten zenuwreceptoren voor  warmte-, tast- en pijnzin. Daarmee is de huid (cutis) dus een zeer veelzijdig en complex orgaan.

    Het onderhuidse vetweefsel (subcutis)

    Direkt onder de lederhuid ligt het onderhuidse vetweefsel (hypodermis of subcutis), een sponsachtige laag die voornamelijk bestaat uit kwabjes vetcellen die omringd worden door bindweefsel. De subcutis zorgt voor warmte-isolatie, fungeert daarnaast ook als energiedepot en stootkussen. In deze laag bevinden zich de grotere bloedvaten (arteriën, venen), zenuwen en zweetklieren. De subcutis wordt naar onderen begrensd door de spierfascie, het vlies dat spierweefsel bedekt. De dikte van de vet­laag is afhankelijk van de voedingstoestand.

    Het onderhuidse vetweefsel is echter meer dan alleen een opslagplaats van calorieën. Via het zenuwstelsel en diverse hormonen (o.a. insuline) worden in het vetweefsel stofwisselingsprocessen zoals vetopslag en vetafbraak gereguleerd. Bovendien produceert het vetweefsel zelf een aantal hormonen: o.a. oestrogeen en leptine. Van leptine is inmiddels bekend geworden, dat het een belangrijke rol speelt bij het instandhouden van het lichaamsgewicht bij voedselschaarste. Bij overgewicht neemt de concentratie van leptine in het bloed toe, waardoor de eetlust en de vetopslag geremd worden. Tijdens vasten daalt de leptinespiegel, wat gepaard gaat met een nog grotere daling van de concentraties van schildklierhormoon. Dit veroorzaakt een afname van het energieverbruik, waardoor het lichaam zo efficiënt mogelijk omgaat met de reserves. Leptine lijkt dus een rol te spelen bij het ontstaan van overgewicht (obesitas) en bij problemen met gewichtsreductie ondanks laagcalorische diëten. Uit onderzoek is echter gebleken, dat leptine niet de enige oorzaak van deze problemen kan zijn. Ook andere factoren, die voor een deel nog niet goed bekend zijn, moeten van invloed zijn. Omdat overgewicht een belangrijke risicofactor is voor het ontstaan van diabetes mellitus type 2 en hart- en vaatziekten, wordt vanaf het ontdekkingsjaar van leptine (1994) veel onderzoek gedaan aan dit hormoon.

    We zien dus, dat het onderhuidse vetweefsel naast opslagplaats van energie ook een belangrijk hormonenproducerend (endocrien) orgaan is.

    Soorten huidaandoeningen

    Huidaandoeningen (dermatosen) komen bijzonder vaak voor. Ongeveer 1 op de 4 personen krijgt vroeg of laat met een huidprobleem te maken en hoewel veel gebruik gemaakt wordt van zelfmedicatie, zorgen huidproblemen nog altijd voor ruim 10% van de werkbelasting van de huisarts.

    De psychosociale aspecten van huidaandoeningen kunnen nauwelijks worden overschat. Niet alleen kunnen huidklachten het normale functioneren van de patiënt in diens werksituatie bemoeilijken, ook kunnen angst en depressieve gevoelens het zelfvertrouwen van de patiënt ondermijnen, waardoor deze in een sociaal isolement terecht kan komen. Vooral mensen met een chronische huidaandoening (b.v. eczeem, psoriasis) kunnen met deze problematiek te maken krijgen. 

    Het aantal huidaandoeningen bij de mens wordt geschat op ca. 2000. Voor de dagelijkse praktijk van de huidarts (dermatoloog) is echter slechts een beperkt aantal van ca. 75 huidaandoeningen van belang. Ongeveer de helft van deze huidaandoeningen komt regelmatig voor.

    Bij het onderzoek van een huidafwijking let de dermatoloog op de uiterlijke kenmerken (PROVOKE):

    • plaats
    • rangschikking
    • omvang (aantal, grootte)
    • vorm
    • omtrek
    • kleur
    • efflorenties (= soort huiduitslag: pukkels, puisten, blaasjes, blaren, comedonen, huidschilfers, etc.)

    De meeste huidziekten hebben hun eigen voorkeursplaatsen, b.v. de buigzijden van armen en benen bij constitutioneel eczeem. Daarmee vormt de plaats samen met de efflorenties (zie tabel 4.11.2) meestal de sleutel tot de diagnose. Ook de kleur kan een belangrijk kenmerk zijn van een huidafwijking. In de meeste gevallen is de huidaandoening lichtrood van kleur. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • wegdrukbare roodheid (door bloedvatverwijding) = erytheem;
    • niet-wegdrukbare roodheid (door onderhuidse bloeding) = purpura.

    Na dit uitwendige onderzoek kan nog aanvullend laboratoriumonderzoek nodig zijn om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen.

    Bacteriële huidinfecties

    De normale, gezonde huid vormt een natuurlijke barrière tegen een invasie met bacteriën en andere micro organismen. Hoe de natuurlijke weerstand van de huid tot stand komt is nog niet geheel bekend, maar de volgende factoren spelen daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol:

    • de intacte hoornlaag is vrijwel ondoordringbaar voor microörganismen (bacteriën, schimmels, gisten);
    • door afschilfering van de huid worden bacteriën en andere ziektenverwekkers voortdurend van de huid verwijderd;
    • de zuurgraad van de huid (pH ca. 5,5) is ongunstig voor de groei van bacteriën;
    • de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen in de lipiden(vet)laag van de hoornlaag en in vettige huidsecreten (talg);
    • het lage vochtgehalte van de hoornlaag (10-20%), wat de groei van microörganismen tegengaat;
    • de aanwezige, normale microflora van de huid zorgt voor een milieu dat groei van schadelijke microörganismen voorkomt.

    Veranderingen in een of meer van deze factoren kunnen van grote invloed zijn op het ontstaan van huidinfecties. Daarbij moet vooral gedacht worden aan het gebruik van remmers van het immuunsysteem (immuunsuppressiva) en reinigingsmiddelen voor de huid, die de natuurlijke afweer ondermijnen en daardoor het ontstaan van huidinfecties kunnen bevorderen.

    Krentenbaard (impetigo)

    Impetigo of krentenbaard is een besmettelijke huidziekte, die vooral bij kinderen onder 7 jaar voorkomt en meestal spontaan geneest binnen 1-3 weken zonder littekens. In ruim 90% van de gevallen gaat het om een infectie met de bacterie stafylococcus aureus, maar soms is een andere bacterie de oorzaak. De aandoening is besmettelijk, maar niet zo sterk dat kinderen met een actieve infectie van school gehouden moeten worden. Wel worden hygiënische maatregelen aanbevolen om verspreiding via direct contact zoveel mogelijk te voorkomen. Dit is mogelijk door de handen en aangedane huid regelmatig te wassen met desinfecterende zeep (Hibiscrub®, Betadinescrub®).

    Kenmerken:

    • kleine, met pus gevulde blaasjes op een rode ondergrond, die zich ontwikkelen tot vochtige plekken met een typische honingachtige gekleurde korst;
    • vooral bij kinderen van 5-7 jaar;
    • voorkeursplaatsen: rond neus en mond, op de handen, maar soms ook op andere plaatsen (armen, benen);
    • verspreiding via direct lichamelijk contact

    Preventie: directe contacten met anderen vermijden.

    Behandeling:

    • lokaal: losweken van de korsten met natte compressen, vervolgens:
      • fucidincrème, zalf (UR), 3dd aanbrengen;
      • desinfectie met Betadine of Sterilon gedurende 1 week;
    • uitgebreide plekken: oraal antibioticum (UR) (b.v. flucloxacilline 4dd 500mg of claritromycine), gedurende 7-10 dagen. Als impetigo resistent blijkt te zijn voor behandeling of terugkomt wordt door de arts een neuskweek afgenomen bij de overige familieleden om onderzoek te doen naar dragerschap van stafylokokken, die de infectie veroorzaken. Zonodig wordt Bactroban neuszalf gedurende 1 week gegeven om dragerschap te behandelen.

    Folliculitis en steenpuisten (furunkels)

    Folliculitis is een oppervlakkige ontsteking van de haarfollikel met roodheid en pustelvorming rond een haar (fig. 4.11.3A). De infectie wordt meestal veroorzaakt door een stafylokok en komt vooral voor in vochtige huidgebieden. Folliculitis kan een langdurig probleem worden op plaatsen waar de haarzakjes het diepst in de huid liggen, zoals bij de baardharen. Bij uitgebreide plekken op het bovenlichaam (romp, ledematen) moet gedacht worden aan een immuunstoornis.

    De infectie komt vooral voor bij kinderen en herstelt spontaan binnen een week. Bij volwassenen is echter meestal behandeling nodig.

    Een oppervlakkige folliculitis in de badpak- of zwembroekregio door verblijf in een warmwater­bubbelbad of golfslagbad wordt veroorzaakt door een pseudomonas-bacterie en behoeft geen behande­ling. Deze aandoening geneest spontaan, meestal binnen een week.

    Een furunkel of steenpuist is een acute, ernstiger vorm van folliculitis, waarbij sprake is van een diepe infectie van een haarfollikel. Furunkels komen vooral op plaatsen voor die aan wrijving zijn blootgesteld, zoals de nek, billen, de oksels en de armen en benen. Mechanische beschadiging van de huid, bijvoorbeeld door schurende kleding, speelt vaak een rol.

    Behandeling

    Folliculitis kan behandeld worden door wassen met een desinfecterende zeep (Betadine, Hibiscrub).

    Een furunkel (steenpuist) wordt afgedekt met een salicylzuurzalf-kompres om het doorbreken te bevorderen. Bij algemene malaise met koorts, meerdere steenpuisten tegelijk (furunculose) of een steenpuist op de neus is orale behandling met een antibioticum nodig (b.v. flucloxacilline (UR)).

    Erythrasma

    Erythrasma is een veel voorkomende, oppervlakkige infectie van lichaamsplooien, die veroorzaakt wordt door een bacterie die tot de normale huidflora behoort. Onder warme, vochtige omstandigheden (overmatig transpireren) kan deze bacterie de hoornlaag infecteren, waardoor scherp begrensde, onregelmatige, roodbruine plekken ontstaan (fig. 4.11.4). Soms is er een fijne schilfering, waardoor deze huidaandoening sterk kan lijken op een schimmelinfectie. Erythrasma komt vooral voor bij volwassenen met vetzucht (obesitas) en diabetespatiënten.
     
    Voorkeursplaatsen zijn: onder de oksels en borsten, tussen de tenen, in de liezen.

    Behandeling

    • wassen met desinfecterende zeep (Betadine- of Hibiscrub);
    • miconazolcrème (remt niet alleen de groei van huidschimmels, maar heeft ook een antibacteriële werking);
    • in hardnekkige gevallen: clindamycinelotion FNA (lokaal).

    Na behandeling komt de aandoening vaak binnen 6-12 maanden weer terug. Dit komt doordat de bacterie, die de huidafwijking veroorzaakt, behoort tot de normale huidflora en dus permanent op de huid aanwezig blijft, ondanks de behandeling.

    Nagelomloop (paronychia)

    Paronychia of omloop is een ontsteking van de nagelriem. Een acute ontsteking wordt meestal veroorzaakt door een bacterie (stafylokok), een chronische paronychia door een gist (candida albicans). Frequent contact met water, op vingers zuigen, onvoorzichtig manicuren en slechte hygiëne spelen waarschijnlijk een rol bij het ontstaan van deze infectie. Omdat het nagelgebied weinig kan opzwellen, is de infectie vaak tamelijk pijnlijk.

    Candida-paronychia komt vooral bij huisvrouwen. Bij langdurige infecties treedt verbrokkeling en geelbruine verkleuring van de nagel op.

    Kenmerken:

    • pijnlijke, gezwollen nagelriem;
    • bij bacteriële infectie: pusvorming;
    • bij gistinfectie: rode verdikte nagelriem zonder pusvorming.

    Behandeling:

    • goede hygiëne is meestal voldoende;
    • warme baden of kompressen verlichten de pijn en bevorderen de afvloeiing van pus;
    • als de infectie zich uitbreidt: oraal antibioticum (b.v. flucloxacilline);
    • paronychia door een gistinfectie wordt lokaal behandeld met miconazolcrème of tinctuur.

    Als de nagelwal eenmaal is genezen, kan de therapie worden gestopt. Je hoeft dus in dit geval niet te wachten tot de zieke nagel geheel is uitgegroeid.

    Wondroos (erysipelas)

    Wondroos is een acuut beginnende bacteriële infectie van dermis en subcutis (oppervlakkige cellulitis), die gepaard gaat met hoge koorts (>39°C), koude rillingen, algemene malaise, hoofdpijn en braken. De aandoening komt vooral voor aan de onderbenen (ca. 80%) en in het gelaat (ca. 15%). Men ziet scherp begrensde gezwollen, vuurrode plekken op de huid, die zich snel uitbreiden en gepaard kunnen gaan met bloedinkjes in het aangedane huidgebied. De plekken zijn pijnlijk bij geringe druk en voelen warm aan. Soms ontstaan er blaren in of aan de rand van de rode plek.

    Erysipelas (wondroos) wordt meestal veroorzaakt door een streptokok-bacterie. Soms is er sprake van een menginfectie met stafylokokken. De infectie ontstaat op de plaats van een huiddefect, b.v. een open been (ulcus cruris) of insektenbeet.
    Ook een schimmelinfectie aan de voeten met kloven tussen de tenen kan aanleiding geven tot wondroos. 

    Behandeling

    • oraal penicilline (Broxil (UR)), gedurende 10 dagen; als er binnen 48 uur geen verbetering optreedt, is een menginfectie met stafylokokken waarschijnlijk en moet flucloxacilline (UR) worden toegediend;
    • om herinfecties te voorkomen:
      • huid dagelijks wassen met een desinfecterende zeep (Hibiscrub, Betadinescrub);
      • in hardnekkige gevallen: 1 x per 4 weken 1 Penidural-injectie;
      • steunkousen bij wondroos aan de benen om oedeem te voorkomen

    Ziekte van Lyme (erythema migrans)

    Bloedzuigende insekten kunnen infecties overbrengen, waarvan de ziekte van Lyme in Nederland de belangrijkste is. De ziekte van Lyme wordt veroorzaakt door de bacterie Borrelia burgdorferi, die door teken wordt overgebracht. Volgens recente gegevens zou ca. 20% van de teken in Nederland besmet zijn. De teken zijn vooral actief in de maanden april tot oktober. Ze houden zich op in bos- en duingebieden, hangend aan grashelmen, twijgen en bladeren en laten zich meevoeren door passanten (mens en dier). De primaire gastheer (en dus de infectiebron) voor de teek zijn kleine knaagdieren,  zoals muizen. Gebleken is, dat veel mensen antistoffen tegen de bacterie bezitten. Deze bieden echter geen bescherming tegen de ziekte.

    Naar schatting krijgt slechts 2-3% van de besmette personen de ziekteverschijnselen. De kans op Lyme-ziekte is erg klein, wanneer teken binnen 24 uur èn op de juiste manier worden verwijderd.

    Lymeziekte kan een ernstige ziekte zijn, die vaak moeilijk te herkennen is. De klachten kunnen tijdelijk weer overgaan en in ongeveer de helft van de gevallen is de relatie met een tekenbeet niet duidelijk. Hierdoor wordt in eerste instantie vaak aan andere diagnoses gedacht (o.a. chronisch vermoeidheidssyndroom) en vindt de behandeling met antibiotica pas in een laat stadium plaats. Vooral deze patiënten kunnen restverschijnselen overhouden.

    Symptomen

    Stadium 1
    Lokale huidinfectie met een rode plek op de plaats van de beet:

    • niet groter dan een kwartje, binnen 1-2 weken verdwenen: zeer waarschijnlijk geen Borrelia-infectie;
    • rode plek wordt steeds groter en verbleekt in het centrum: erythema migrans (Lyme-ziekte).

    Erythema migrans treedt binnen 3 weken-3 maanden na de beet op en komt in 60-80% van de gevallen voor. De plek bestaat uit meerdere rode ringen om elkaar heen of is egaal rood gekleurd.

    Vaak is vermoeidheid aanwezig, soms met hoofdpijn, lichte nekstijfheid, spierpijn gewrichtspijn en koorts.

    Stadium 2
    Enkele maanden na de infectie ontstaan vooral ziekteverschijnselen van het zenuwstelsel (o.a. dubbelzien, aangezichtsverlamming).
    Verspringende pijnen in armen of benen met krachtverlies en een doof gevoel komen voor door ontsteking van een ruggenmergzenuw. 
    Aandoeningen van het hart komen zelden voor. De vaakst voorkomende afwijking bestaat uit een geleidingsstoornis met een trage hartslag. De patiënt kan flauwvallen en last van benauwdheid krijgen. Na een succesvolle behandeling kunnen de klachten nog geruime tijd blijven bestaan.

    Stadium 3
    Bij een ziekteduur van meer dan een jaar is er sprake van chronische lymeziekte. 
    Gewrichtspijnen en neurologische afwijkingen kunnen voorkomen, die lang kunnen aanhouden. Kenmerkend voor chronische Lymeziekte is een huidaandoening aan de armen en/of benen, waarbij de huid plaatselijk paars kleurt en atrofiëert.

    Behandeling

    Algemene adviezen

    Preventie:

    • lichaam bedekt houden door goed sluitende kleding;
    • zonodig een insektenwerend middel gebruiken (DEET, werkt niet alleen tegen muggen!);
    • lichaam op teken controleren na verblijf in de natuur;
    • bij tekenbeet: zo snel mogelijk (liefst binnen 24 uur) verwijderen, datum noteren en letten op
      infectieverschijnselen; preventieve behandeling wordt i.v.m. de kleine infectiekans niet geadviseerd.

    Een teek kan het beste als volgt worden verwijderd:

    • de teek niet tevoren bewerken met alcohol e.d., omdat de inhoud van de speekselklieren dan door de teek in de huid kan worden gespoten, waardoor juist een infectie ontstaat;
    • de huid vastpakken, zodat er een ‘heuveltje’ontstaat;
    • tekentang tussen duim en wijsvinger houden, opendrukken en over de kop van de teek plaatsen, zo dicht mogelijk op de huid;
    • verwijder de teek door de pincet met een korte ruk links- en rechtsom te draaien en vervolgens aan de pincet te trekken; het snuitje van de teek kan hierbij afbreken, wat niet erg is, omdat het niet besmet is; net als een splinter komt de snuit vanzelf weer uit de huid;
    • desinfecteer het bijtwondje, na verwijdering van de teek, met alcohol 70% of Betadine.

    Geneesmiddelen

    Bij erythema migrans moet verwezen worden naar de arts. De behandeling bestaat uit doxycycline 2x daags 100mg (!) of amoxicilline 4x daags 500mg, gedurende 14 dagen.

    In latere stadia van lymeziekte is alleen parenterale toediening van antibiotica nog te proberen.

    Virale huidinfecties

    Een virus bestaat uit erfelijk materiaal (DNA of RNA), dat verpakt is in een mantel van eiwit. Alle virussen zijn ‘dood’, totdat zij een geschikte cel binnendringen. Na het binnendringen via een voor het virus geschikte plek op het celoppervlak, wordt de celstofwisseling geprogrammeerd voor het aanmaken van grote hoeveelheden nieuwe virusdeeltjes. Virussen zijn dus te beschouwen als intracellulaire parasieten. Een geïnfecteerde cel kan honderden tot honderdduizenden nieuwe virusdeeltjes produceren en sterft daar meestal aan. Daardoor ontstaat weefselschade, wat voor een deel de symptomen van een virusinfectie verklaart.

    Een bepaald type virus heeft meestal een voorkeur voor het infecteren van een bepaalde celsoort. Dit verschijnsel wordt tropisme genoemd. Zo heeft herpes simplex type I, de veroorzaker van de bekende ‘koortslip’(herpes labialis), een voorkeur voor melanocyten. Vanuit deze cellen worden vervolgens ook andere huidcellen geïnfecteerd. Humane papillomavirussen, de veroorzakers van gewone wratten en condylomata acuminata (genitale wratten), infecteren cellen uit de basale cellaag van de epidermis, die zich later ontwikkelen tot keratinocyten. Beide virussoorten veroorzaken lokale huidaandoeningen. Daarnaast bestaan er virussen, die huiduitslag over het hele lichaam kunnen geven. De exanthemateuze kinderziekten (mazelen, rode hond, vijfde en zesde ziekte) zijn hiervan een goed voorbeeld. Besmetting met mazelen of rode hond vindt aerogeen (via hoesten of niezen) plaats. Het virus infecteert de cellen van de luchtwegen en dringt door in de lymfevaten, waar lymfocyten worden besmet. De infectie breidt zich daarna via de bloedbaan verder uit en veroorzaakt ontstekingsreacties, waardoor over het hele lichaam een rode, vlekkerige huiduitslag ontstaat.

    Huiduitslag door virusinfecties kan dus ontstaan door directe besmetting van het huidoppervlak met het virus of door verspreiding van het virus vanuit een andere plaats. Verspreiding is mogelijk via de bloedbaan (b.v. de virale kinderziekten) of via zenuwvezels (b.v. herpes simplex en herpes zoster). De huidafwijkingen kunnen dan een uiting zijn van het virus dat ter plaatse aanwezig is, of het resultaat zijn van een immunologische reactie tussen het virus en de gastheer.

    Virusinfecties zijn in het algemeen veel moeilijker met geneesmiddelen te behandelen dan bacteriële infecties. Daarom wordt tegen virusinfecties die complicaties kunnen veroorzaken, zoals mazelen en rode hond, bij voorkeur gevaccineerd.

    Koortslip (herpes labialis)

    Herpes labialis (koortslip) wordt veroorzaakt door het herpes-simplex-virus (HSV). Twee typen van dit virus worden onderscheiden, namelijk HSV-1 en HSV-2. De eerste soort veroorzaakt vooral herpes labialis, de tweede soort herpes genitalis. Herpes genitalis is een infectie van de geslachtsorganen en behoort tot de seksueel overdraagbare aandoeningen.

    Het herpesvirus is bijzonder besmettelijk en de meeste mensen krijgen het al in hun vroege jeugd van hun ouders. De eerste herpesinfectie treedt meestal op rond de leeftijd van 2 jaar (de ‘primo-infectie’). Vaak merken kinderen hier weinig van. Als er wel verschijnselen zijn, heeft het kind koorts, de lymfeklieren in de hals zijn vergroot en de mond is pijnlijk ontstoken met blaasjes, zowel van binnen als van buiten. De kinderen kunnen zo ziek zijn, dat ze niet willen drinken en dreigen uit te drogen. Dit duurt ongeveer 3-6 dagen. Daarna treedt herstel in, maar het kind blijft dan nog enige tijd besmettelijk voor zijn omgeving.

    Na de primo-infectie, die ongeveer 14 dagen duurt, blijft het virus levenslang in het lichaam aanwezig, met name lokaal in bepaalde zenuwknopen op de plaats waar de eerste infectie optrad. Daar is het HSV-virus onbereikbaar voor het immuunsysteem. Op gezette tijden, bij ‘verminderde weerstand’, wordt het virus gereactiveerd, waardoor recidieven kunnen optreden, altijd vanuit dezelfde zenuw naar dezelfde plek op de huid. Bij veel mensen (ca. 80-90% van de geïnfecteerden) verlopen die recidiefinfecties symptoomloos met als gevolg dat deze mensen voor de verspreiding van het virus zorgen, omdat zij zich niet bewust zijn van hun besmettelijkheid. Ongeveer 10-20% van de met herpes besmette personen heeft wel klachten bij een recidief. De duur van een reïnfectie met endogeen herpesvirus is 5-7 dagen.

    Het HSV-virus kan tijdens een recidief uit de mond en keel van gezonde mensen worden gekweekt en is door mondcontact overdraagbaar. Is men eenmaal met het virus besmet geraakt, dan is een nieuwe infectie op een andere plaats van het lichaam minder waarschijnlijk. De aanwezige antistoffen tegen het virus zorgen er gewoonlijk voor, dat nieuwe infecties met HSV in de kiem gesmoord worden.

    Soms komen herpesinfecties in het oog voor. Het gaat dan meestal om personen, die tijdens de primo-infectie in het oog besmet zijn geraakt. Bij een primo-infectie is oogheelkundige behandeling nodig. Herinfecties leiden meestal slechts tot geringe veranderingen in het hoornvlies, die vanzelf weer kunnen verdwijnen. In incidentele gevallen kan het virus diep in het hoornvlies doordringen en het oppervlak ervan ernstig beschadigen. Ter behandeling kunnen antivirale middelen (o.a. aciclovir­oogzalf) worden toegepast.

    Verschijnselen

    Een koortslip komt altijd voor op dezelfde plaats. Uitlokkende factoren voor een recidief zijn: zonlicht, koorts, stress, menstruatie, etc. De eerste symptomen zijn: een tintelend, jeukend of branderig gevoel, soms met roodheid. Na enkele uren of dagen ontstaan een of meer pijnlijke blaasjes, die vocht bevatten. De blaasjes barsten open en drogen in, waarbij een korstje wordt gevormd. Als deze afvalt is de koortslip voorbij. Dit duurt meestal 7-10 dagen. Er blijven geen littekens achter.

    Preventie

    Huidaandoeningen door herpes simplex virus zijn besmettelijk zolang zij niet volledig zijn ingedroogd. De meeste reïnfecties verlopen symptoomloos, maar zijn wel zeer besmettelijk, omdat virusuitscheiding plaatsvindt via de slijmvliezen van mond (bij HSV-1) of genitalia (bij HSV-2). Hierdoor is preventie vrijwel onmogelijk.

    Behandeling

    Algemene adviezen

    • Vermijd contact met anderen, vooral baby’s en jonge kinderen.
    • Was altijd de handen na aanraken van de koortslip, wees voorzichtig met het aanbrengen van oogmake-up.
    • Vermijd zoenen en oraal seksueel contact

    Geneesmiddelen:

    Lokale antivirale middelen (o.a. aciclovircrème SAN) zijn nauwelijks effectiever gebleken dan placebo. Bovendien komen bij lokaal gebruik regelmatig overgevoeligheidsreacties voor. Hun gebruik moet daarom worden afgeraden.

    Wel geadviseerd kunnen worden:

    • preparaten met zinksulfaatzinksulfaatvaselinecrème 0,5% FNA, zinksulfaatgel 0,5% (Zinoleum-Z®), aanstipvloeistof: zinksulfaat 1% in propyleenglycol, 6x daags aanbrengen, vanaf de eerste symptomen totdat de blaasjes zijn ingedroogd.
    • zinkoxide, b.v. zinkolie + 3% lidocaïne of vaselinelidocaïnecrème+10% zinkoxide; toepassen in het blaasjesstadium; cosmetisch onaantrekkelijk, daarom voor de nacht aanbrengen.

    Zinksulfaat heeft evenals zinkoxide antivirale eigenschappen. Bovendien werkt het jeukstillend en indrogend. Bij toepassing vanaf de eerste symptomen kan de totale duur van de koortslip-verschijnselen met enkele dagen worden bekort. Bij toepassing op de blaasjes zijn deze eerder ingedroogd en genezen.

    Wratten

    Een wrat (papilloom) is een verhevenheid op de huid, die veroorzaakt wordt door de groep van papillomavirussen (HPV’s). Wratten kunnen op elke leeftijd ontstaan, maar komen vooral bij kinderen voor. Hoewel wratten zich bij dezelfde persoon gemakkelijk van het ene naar het andere lichaamsdeel kunnen verspreiden, zijn de meeste niet erg besmettelijk voor andere mensen. Een uitzondering hierop zijn wratten, die rond de geslachtsdelen voorkomen. Deze zijn wel zeer besmettelijk.

    Het wrattenvirus wordt van mens op mens overgedragen via direct contact of via voorwerpen, zoals handdoeken en vloeren in een sportzaal of zwembad. Het kan zich alleen in de bovenste cellagen van de huid of slijmvliezen vermenigvuldigen. Het gaat dus niet, zoals het herpesvirus, via zenuwen naar zenuwknopen, om van daaruit latent aanwezig te blijven en steeds weer opnieuw de kop op te steken. Wratten zijn goedaardig. Ze verdwijnen in 65% van de gevallen vanzelf binnen twee jaar, doordat er antistoffen worden gevormd. Deze antistoffen beschermen levenslang tegen nieuwe infecties met hetzelfde virus. Mensen met een immuunstoornis krijgen sneller wratten en komen er moeilijker vanaf. Dit geldt onder andere voor HIV-geïnfecteerden, mensen die met cytostatica worden behandeld en mensen die een transplantatie hebben ondergaan. Bij de laatstgenoemde groep neemt het wrattenprobleem door de jaren heen toe.

    Wratten kunnen soms veel lijken op likdoorns. Een likdoorn is een pijnlijke eeltverdikking, die ontstaat door druk of wrijving op de huid. De pijn ontstaat door druk op het onderliggende bot. Een belangrijk onderscheid is, dat wratten bloedcapillairen bevatten en likdoorns niet. Snijden in een wrat leidt dus tot kleine bloedinkjes, snijden in een likdoorn niet.

    Diagnose

    De volgende soorten wratten worden onder meer onderscheiden:

    • gewone wratten (verrucae vulgaris); een klein, hard en hoornachtig, wit of roze bultje met een bloemkoolachtig oppervlak en met een doorsnede van ca. 0,5 cm; voorkeurslokatie op de handen.
    • voetwratten (verrucae plantares); op de voetzolen worden wratten vaak naar binnen gedrukt (doornwrat), zodat de bovenkant gelijk is aan de rest van de huid. Deze wratten kunnen erg lijken op eelt of likdoorns. Ze zien eruit als een sterk verhoornde pit. Het lopen kan pijnlijk zijn, doordat de wrat plaatselijk op het beenvlies drukt, wat een gevoel geeft alsof men met een steentje in de schoen loopt.
    • waterwratten (mollusca contagiosa); kleine, witte, parelachtige bultjes ter grootte van een erwt, met in het midden een kleine inzinking, waarin zich een witte brijïge massa bevindt. Dit weke gezwel wordt veroorzaakt door een pokkenvirusinfectie van de huidsmeerklieren en komt vooral bij jonge kinderen (< 5 jaar) voor. Binnen 2-6 maanden verdwijnen ze spontaan, doordat antistoffen worden gevormd.
    • draadvormige wratten (verrucae filiformes); deze komen vooral voor in het gezicht en de hals.
    • genitale wratten (condylomata acuminata); een gesteelde roze tot bruine wrat met een bloemkoolachtig oppervlak, doorsnede 1-5 mm, voorkomend rond de anus en/of de geslachtsorganen.
    • vlakke wratten (verrucae planae); vlakke verhevenheden op de huid, in het gelaat en op de romp; 
    • ouderdomswratten (verrucae soborrhoicae); wratachtige, vettige zwelling; geelbruin, donkerbruin of zwart; bij ouderen in het gelaat (slapen!), op de romp en armen; lijken soms op een melanoom.

    Genitale wratten behoren tot de seksueel overdraagbare aandoeningen. Ze komen het meest voor in de leeftijdscategorie van 20-30 jaar. De belangrijkste risicofactor is de omgang met een groot aantal seksuele partners. In een standaard huisartsenpraktijk worden 2-3 nieuwe gevallen per jaar gezien. Ook jonge kinderen (< 3 jaar) kunnen soms met dit wrattenvirus besmet zijn, maar dit behoeft niet te wijzen op seksueel misbruik. Overdracht van een HPV-infectie van moeder op kind blijkt namelijk soms op te treden tijdens de geboorte. Doordat de incubatieperiode (= de tijd tussen besmetting en het optreden van de huidaandoening) variëert van 3 maanden tot enkele jaren, kunnen genitale wratten bij kinderen tot drie jaar veroorzaakt zijn door virusoverdracht van moeder op kind.

    Net als andere wratten zijn condylomata goedaardig en verdwijnen ze na verloop van enkele jaren vanzelf. Ze kunnen echter wel een psychische belasting vormen.

    Behandeling

    Wratten behoeven in principe geen behandeling, omdat uiteindelijk spontaan herstel optreedt. Bovendien is het vaak niet zonder meer mogelijk wrattenvirussen blijvend uit te schakelen. Daardoor komen ook na een aanvankelijk succesvol lijkende behandeling recidieven vaak voor. Desondanks zijn de ontsierende en psychisch vaak (vooral bij genitale wratten) belastende huidaandoeningen voor de patiënt een reden om toch voor behandeling te kiezen.

    De keuze van de behandelingsvorm hangt af van het aantal, de grootte en plaats van de wratten. Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat het resultaat van welke therapie dan ook vooral berust op het kapotmaken van de huid, waardoor contact van het virus met het immuunsysteem mogelijk wordt. Vervolgens doen de aanwezige antistoffen en de afweercellen de rest.

    Algemeen advies:

    • hygiënische maatregelen (m.n. bij voetwratten);
    • condoomgebruik bij genitale wratten; desondanks biedt dit geen volledige bescherming tegen een mogelijke besmetting.

    Geneesmiddelen

    • salicylzuur 20% in collodium FNA, Formule-W®; zonodig gedurende 3 maanden; geschikt voor de meeste wratten (behalve de genitale) en likdoorns; de omliggende huid moet beschermd worden met vaseline, zinkzalf of hechtpleister, waarin met een perforator een passend gaatje is gemaakt;
    • tretinoïne-oplossing of crème FNA; bij vlakke wratten in het gezicht en op de romp, bij ouderdomswratten;
    • povidonjood (Betadine®) voor waterwratjes, na uitdrukken van de brijïge kern; bij roodheid rond de waterwratjes treedt spontaan herstel spoedig in en is behandeling niet nodig;

        alternatief:  thuja Æ tinctuur (uitwendig);

    • Condyline® (UR), bij genitale wratten (ook bij kinderen); op 3 achtervolgende dagen per week, gedurende max. 5 weken; de omringende huid wordt bij voorkeur met zinkzalf of vaseline beschermd; zwangerschap is een belangrijke contraïndicatie; recidieven komen frequent voor, doordat het virus aanwezig blijft in de schaamhaarfollikels.
    • CryotherapieWartner®, bevriezingsbehandeling van wratten.

    Wanneer naar arts?

    • bij mensen met een gestoorde afweer (zelfzorgmiddelen minder effectief);
    • bij wratten, die van grootte of kleur veranderen, bloeden of jeuken (tumor?);
    • onvoldoende resultaat van 3 maanden zelfbehandeling